Het weer

Wat is weer?

Het weer is iets wat buiten plaatsvindt. Je kunt het voelen: temperatuur, wind, regen en zien: zon, regen, wolken.

Het weer heeft heel veel invloed op ons leven. Het hangt vaak af van het weer wat we gaan doen. Gaan we naar buiten, naar het strand of schaatsen of blijven we lekker binnen bij de kachel? Wat voor kleren doen we aan? Wat eten we? Want het weer is ook heel belangrijk voor de landbouw. Het weer kan ook gevaarlijk zijn. Als het heel hard stormt, kun je beter binnen blijven. En met de auto weggaan als het ijzelt is niet verstandig.


De belangrijkste weersverschijnselen:

1. de temperatuur
Hoe warm of koud het is valt het eerste op. Hoe warm of het is noem je temperatuur. Die wordt bepaald door de zon. De zon is een ster. Een ster is een hemellichaam die in brand staat. Een soort kacheltje dus.
Temperatuur kun je meten met een thermometer. ‘Thermo’ betekent: warmte. Thermometer betekent dus: warmtemeter.

Zo’n thermometer werkt als volgt: In een glazen buisje zit een vloeistof (vroeger kwik, nu alcohol) zit een vloeistof. Deze vloeistof heeft de eigenschap te ‘groeien’ als het warm wordt.
Naast het glazen buisje zie je cijfers. Dat is de schaalverdeling die de graden aangeeft. Als de vloeistof in het buisje warm wordt, wordt het streepje langer en geeft een hogere temperatuur aan.
Er zijn twee soorten graden: Celsius en Fahrenheit. Wij gebruiken de graden in Celsius. In Amerika gebruiken ze de Fahrenheit.
De warmste temperatuur op de thermometer is 50 graden, de koudste 30 graden onder nul.
Nul graden is het als het vriest. Als het 5 graden vriest wordt ook wel gezegd: het is ‘min vijf’.

2. de wind
Wind is eigenlijk gewoon lucht die beweegt.Lucht is overal om ons heen, we ademen het in, en we kunnen het ergens in doen, bijv. in een ballon.
Als die lucht stilstaat noem je het windstil. Als die lucht beweegt is er wind.

Wind je ook meten. Je kunt zelfs twee dingen meten: de windrichting en de windsnelheid.
De windsnelheid wordt aangegeven in cijfers. De cijfers gaan van 0 tot 12. Windkracht 12 is een orkaan, windkracht 0 is windstil.
De windrichting is de kant waar de wind vandaan komt, niet waar de wind heengaat zoals veel mensen denken. De wind komt uit het noorden, het oosten, het zuiden of het westen.
Om dat te zien heb een kompas nodig.

3. neerslag en wolken
Neerslag is een deftig woord voor regen, maar ook voor sneeuw en ijzel en hagel. Alles wat nat is en uit de lucht komt. Die neerslag heeft alles te maken met wolken. Het regent nooit als er geen wolken zijn! Dus regen komt uit wolken.
Dat werkt zo: Eigenlijk zijn wolken gemaakt van waterdruppels. Het is warme lucht die is opgestegen en hoog in de lucht is veranderd in water. Als de waterdruppels klein zijn, wegen ze njet veel en blijven ze mooi zweven. Maar als er heel veel warme lucht opstijgt, worden de waterdruppels heel groot en zwaar. Dan gaat het regenen! Soms zijn de waterdruppels zó koud dat ze in de lucht bevriezen. Als de wolk dan te zwaar wordt, gaat het sneeuwen of hagelen.

Ook neerslag kun je meten. Je hebt daarvoor een beker of fles nodig met daarop centimeters. Zo kun je simpel zien hoeveel millimeter of centimeter het heeft geregend op een dag.

Hoe onstaan wolken?

De lucht om ons heen bevat vocht. Dit merk je wel als het zomer is dan is het hier in Nedereland ook gelijk heel erg benauwd, als je met dezelfde temperaturen in Afrika zou zijn dan voelt het minder benauwd aan.

Wat ook bekend is,dat door stroming warme lucht omhoog gaat. En koelt boven dan langzaam af. Hoe komt het nou dat onze dampkring aan de aardoppervlak warmer is dan boven in de dampkring? Dit komt omdat de zonnenstralen pas hun warmte geven als ze ergens tegen aan botsen. En dat doen ze pas tegen de aarde (af andere planeten) en niet tegen de lucht boven ons.

Als lucht afkoelt dan verliest het ook de kracht om waterdamp vast te houden. Denk maar aan een fles limonade die je in de zomer uit de koelkast haalt, als je die buiten de koelkast laat staan komen er allemaal druppels op de fles. Dit is hetzelfde effect als wat er gebeurt als warme lucht afkoelt dat naar boven gaat. We noemen dit condenseren.

Nu heb je als je naar de lucht kijkt heel veel verschillende vormen wolken. Kijk maar in het onderstaande tabel en naar de wolken buiten of je kunt herkennen.

Wolken tabelcumulus cumulusnimbus cirrus

Waarom een temperatuurschaal?

Eigenlijk moet je dan vragen wat is warm en wat is koud?

Als een Nederlander naar Afrika gaat zal hij al snel zeggen:” Pff wat is het heet”, maar de Afrikaan zal op zijn beurt zeggen: “Brr het is niet echt warm vandaag”. Als diezelfde Nederlander in de winter naar Noorwegen gaat zal hij al snel zeggen: “Brr wwat is he het k.k.koud” En een Noor zal dan zeggen “Hmm we hebben een zachte winter”.

Kortom wat voor de een koud is, is voor de ander warm.

Temperatuurschalen:

Fahrenheid:

In 1724 was het de Duitser Gabriel Fahrenheid die een schaal bedacht. Hij stelde het nulpunt op het vriespunt van zeewater. En het bovenste ijkpunt stelde hij de temperatuur van het menselijk lichaam, dit stelde hij als 100 graden Fahrenheid. Deze schaal wordt nog steeds gebruikt in bijvoorbeeld America.

Gabriel Fahrenheid is op 50 jarige leeftijd in Den Haag overleden.

Celsius:Deze schaal is de temperatuurschaal die wij nog steeds gebruiken. Deze is in 1742 vastgesteld door de Zweed Andus Celsius. Hij stelde dat het vries en kookpunt van zoet water de ijkpunten zijn en hij verdeelde de schaal in 100 stappen.

Kelvin:

Deze temperatuurschaal is de temperatuursverdeling die wij in de natuurkunde nog steeds gebruiken. De Ier William Thomson Kelvin, was een hele geleerde man hij ging op zijn 10e al naar de universiteit. Hij stelde het absolute nulpunt (de temperatuur dat er geen enkele molecuul meer beweegt) als 0 Kelvin. Hij paste deze verdeling verder aan die van Celcius aan. En stelde dus dat het vriespunt van water 273 Kelvin was.